Zeven opgietingen

Om voor te lezen, langzaam, met een stem die zelf ook moe mag zijn. Dit verhaal duurt zeven avonden. U kunt er elke avond één lezen. Dat lukt bijna niemand.

De eerste avond. Berk.

Het regende toen Lieve aankwam, die zachte novemberregen waar je geen paraplu voor opendoet en toch nat van wordt. De bed and breakfast lag aan het eind van een zandweg in Drenthe. Drie kamers, waarvan er die week twee leeg stonden. Een moestuin die al was opgeruimd voor de winter. En achter het huis, aan de rand van het bos, een houten saunahuisje met een schoorsteen.

Op het boekingsformulier had ze bij ‘aantal personen’ een één ingevuld en bij ‘opmerkingen’ niets. Ze was tweeënvijftig, tolk Frans en Nederlands, en ze had een jaar lang de zinnen van anderen uitgesproken. Ze wilde een week niets zeggen.

De eigenaar heette Maarten. Een lange man van een jaar of vijfenvijftig, een grijze baard, handen die eruitzagen alsof ze hout hadden gehakt, wat ze ook hadden gedaan. Hij liet haar de kamer zien en het pad naar het bos. Bij het saunahuisje bleef hij staan.

‘Om negen uur gaat hij aan,’ zei hij. ‘Als je wilt. Ik heb maar één regel.’

‘Welke?’

‘In de sauna wordt niet gepraat.’

Ze lachte, voor het eerst die dag. Hij wist niet waarom, en ze legde het niet uit.

Om negen uur ging de sauna aan. Maarten zat er al, op de bovenste bank, op zijn handdoek, een zandloper naast zich. Ze ging op de onderste bank zitten. Toen het zand half door was, goot hij water over de stenen en zwaaide een bundel berkentakken door de stoom. De lucht werd groen en nat, een bos na de regen.

Ze zei niets. Hij zei niets. Pas buiten in de kou, terwijl de damp van haar armen opsteeg in het donker, besefte ze dat ze zijn stem die dag vier keer had gehoord. Ze had ze geteld.

De tweede avond. Den.

Overdag zag ze hem bijna niet. Het ontbijt stond klaar als ze beneden kwam, met een kaartje erbij: het weer, een wandelroute. Achter de schuur hoorde ze hem hout hakken.

Om negen uur ging de sauna aan.

Ze kwam een paar minuten te laat, expres, zodat hij er al zou zitten. Hij zat er al. Hij keek op toen ze binnenkwam, knikte, en keek weer naar de zandloper, alsof daar iets belangrijks in gebeurde.

Vanavond rook het naar dennennaalden, scherp, het soort geur dat in je keel gaat zitten en daar blijft. Het hout was heet onder haar dijen. Ze sloot haar ogen en luisterde naar het water dat siste op de stenen, en naar zijn adem, die trager werd naarmate het warmer werd.

Ze keek naar hem als hij het niet zag. Zijn schouders. De druppels die uit zijn baard vielen. Hoe hij zijn handen open op zijn knieën legde, als iemand die wil laten zien dat hij niets bij zich heeft.

Toen ze opkeek, keek hij naar haar.

Geen van beiden keek weg. Het zand liep door. Toen het op was, stond hij op en hield de deur voor haar open, en zij liep langs hem heen, zo dichtbij dat ze de warmte van zijn huid voelde zonder hem aan te raken.

Die nacht sliep ze met het raam open en rook ze hem nog, of het bos, dat wist ze niet zeker.

De derde avond. Honing.

Om negen uur ging de sauna aan. Ze schoof een bank hoger. Niet naast hem; er paste nog een handdoek tussen.

Naast de zandloper stond een schaaltje warme honing met een houten lepeltje erin. Hij nam zelf een lepel, streek de honing over zijn onderarmen en schoof het schaaltje naar haar toe.

Ze had van het ritueel gehoord en het nooit gedaan. De honing was stroperig en rook naar zomer. Ze streek hem over haar armen en in haar hals. Langzaam, want sneller lukte niet. En omdat ze voelde dat hij keek. Ze keek terug. Ze liet het lepeltje over haar sleutelbeen gaan en zag hem slikken.

In de hitte werd de honing dun en begon te glanzen. Het rook zoet en zwaar in het kleine huisje. Ergens buiten riep een uil.

Toen het zand op was, likte ze een druppel honing van haar pols. Ze deed het niet expres. Of misschien wel. Hij keek weg, net te laat.

Sfeerbeeld van een zandloper, een houten pollepel en een bundel berkentakken in een warme sauna, bij het verhaal Zeven opgietingen

De vierde avond. Sinaasappel.

Om negen uur ging de sauna aan. Vanavond gaf hij haar de pollepel. Zonder een woord, natuurlijk; hij hield hem haar voor, met de steel naar haar toe. Ze schepte water uit de emmer, rook de sinaasappel erin en goot het over de stenen. De hitte sloeg in één keer omlaag, tot in haar oren. Hij ademde hoorbaar uit. Toen ze weer ging zitten, raakten hun knieën elkaar.

Geen van beiden schoof op, ook niet toen het zand al lang door was en de stenen nauwelijks nog sisten.

De vijfde avond. Zout.

Om negen uur ging de sauna aan.

Grof zeezout in een houten kom. Hij wreef het over zijn armen en zijn borst, en het knerpte zacht onder zijn handen.

Lieve nam een handvol en wreef het over haar armen en haar buik, tot haar huid gloeide. Toen draaide ze hem haar rug toe. Ze hield de kom over haar schouder naar hem toe, en wachtte.

Hij nam hem niet meteen aan. Ze voelde hem aarzelen, voelde de hitte tussen hen in, en knikte. Eén keer, duidelijk.

Toen voelde ze zijn handen.

Hij begon bij haar schouders, met grote, warme handen die geen haast hadden. Het zout knarste tussen zijn handpalmen en haar huid, rondjes over haar schouderbladen, langs haar ruggengraat naar beneden, en weer terug. Ze hield haar adem in tot ze merkte dat ze dat deed. Haar tepels werden hard, en dat bij tachtig graden.

Toen ze zich omdraaide om hem te bedanken, legde hij een vinger op zijn lippen.

De regel.

De zesde avond. Niets.

Om negen uur ging de sauna aan. Maarten was er niet.

De zandloper stond klaar. De emmer was gevuld. Op de bovenste bank, op zijn plek, lag een kaartje, zo een als er bij het ontbijt naast de broodmand stond.

In de sauna wordt niet gepraat, stond erop, in een rond, ouderwets handschrift. Over schrijven heb ik niets gezegd.

En daaronder: Morgen is je laatste avond. Dan mag je één ding zeggen. Wat je wilt.

Ze zat alleen in de hitte met het kaartje in haar hand, tot de inkt begon uit te lopen. Ze dacht aan wat ze dat jaar voor anderen had gezegd, in twee talen, in vergaderzalen en rechtszalen. Nu had ze één zin. Haar eigen.

Ze wist precies welke.

De zevende avond. Berk.

Om negen uur ging de sauna aan.

Hij zat op de bovenste bank. De zandloper stond naast hem, maar hij draaide hem niet om. Hij keek naar haar zoals hij de eerste avond naar de stenen had gekeken voor hij er water over goot. Hij had geen haast.

Ze ging naast hem zitten. Ze wachtte tot haar hart wat rustiger werd, en dat werd het niet.

‘Ik wil dat je me aanraakt,’ zei ze. ‘Als jij dat ook wilt.’

Het was het eerste wat iemand in zeven avonden in die sauna had gezegd. Het klonk veel te hard, en ze schaamde zich niet.

‘Ja,’ zei hij.

Dat was het tweede.

Hij kuste haar in de hitte, met de smaak van zout op zijn lippen, en ze lachten allebei omdat het te heet was om te kussen, veel te heet.

Dus gingen ze naar buiten. De koude douche tegen de wand van het huisje, de sterren boven het lege bos, haar gil toen het water op haar schouders viel, zijn lach in het donker.

Toen naar de rustruimte, waar de houtkachel brandde en twee ligbedden stonden met dikke handdoeken, en waar je mocht praten.

Ze praatten niet veel.

Ze trok hem aan zijn handdoek naar zich toe, en de handdoek bleef in haar hand achter.

Hij legde haar op de handdoeken bij de kachel. Met zijn handen ging hij over alles wat hij die week wel had gezien en niet had mogen aanraken: haar borsten, haar buik en dan, heel langzaam, de binnenkant van haar dijen. Alsof hij het in het donker wilde onthouden.

Toen zijn mond haar vond, greep ze de rand van het ligbed vast. Ze kwam bijna geluidloos, met haar hand tegen haar mond.

Een week oefening.

In haar toilettas zat een condoom. Ze had de tas die avond voor het eerst mee naar de sauna genomen. Voor de shampoo, had ze zichzelf wijsgemaakt.

Hij lachte toen ze het hem gaf. Zij lachte mee.

Toen ze hem in zich voelde, keek hij haar aan. Ze nam zijn gezicht tussen haar handen en zei zijn naam, gewoon omdat het nu mocht.

Ze bewogen langzaam. Het hout in de kachel knapte. Buiten riep de uil weer. Hij kwam met zijn voorhoofd tegen het hare, en zo bleven ze liggen tot het vuur bijna uit was.

De volgende ochtend reed ze terug naar Gent. Bij de oprit van de snelweg stopte ze, pakte haar telefoon en boekte zeven nachten. November, volgend jaar.

Bij ‘opmerkingen’ schreef ze één woord.

Berk.

Dit verhaal is geschreven door de redactie van De Paarse Keizerin. Meer verhalen om voor te lezen vindt u in ons overzicht van erotische verhalen.

Reactie plaatsen

Let op: opmerkingen moeten worden goedgekeurd voordat ze worden gepubliceerd.