De nachttrein

De nachttrein naar Wenen vertrekt om kwart voor acht van spoor vijftien, en ik sta er een halfuur te vroeg. Niet omdat ik bang ben hem te missen. Omdat ik, na een week waarin alles tegelijk kapot leek te gaan, niets liever wilde dan ergens zijn waar niemand iets van me vroeg. Een coupé, een bed dat een plank is, veertien uur rails. Dat leek me precies genoeg.

Het is oktober en het perron ruikt naar nat ijzer en koffie. Ik heb één tas bij me, een boek dat ik waarschijnlijk niet ga lezen en een fles wijn die ik bij de Albert Heijn op het station heb gekocht zonder te bedenken dat ik geen kurkentrekker heb. Zo'n week was het.

De conducteur kijkt op mijn kaartje en wijst me naar het achterste rijtuig. Couchette, zes bedden, zegt hij. Vanavond met z'n tweeën, de rest is uitgevallen. Hij zegt het alsof dat goed nieuws is. Ik knik, en op dat moment weet ik nog niet hoe goed.

De coupé is klein en warm en ruikt naar schoon linnen. De bovenste bedden zijn opgeklapt, de onderste twee zijn opgemaakt met een blauw dekentje en een kussen in een papieren hoes. Ik schuif mijn tas onder de bank, trek mijn jas uit en ga bij het raam zitten. Buiten loopt iemand met een koffer de verkeerde kant op.

Hij komt binnen als de trein al rolt. Een man van een jaar of veertig, nat haar, een rugzak over één schouder, buiten adem op een manier die hij probeert te verbergen. Hij zegt sorry, hoewel hij nergens sorry voor hoeft te zeggen, en gaat tegenover me zitten. We kijken allebei naar buiten. Amsterdam glijdt weg in oranje lichtjes.

'Ook naar Wenen?' vraagt hij na een kwartier.

'Tot het einde,' zeg ik.

Hij glimlacht. 'Ik ook. Ik heet Daan.'

'Mare.'

En dat is alles, een hele tijd. Hij haalt een boek tevoorschijn, ik haal mijn boek tevoorschijn, en we lezen allebei niet.

Bij Utrecht komt de conducteur langs met het ontbijtformulier en de vraag of we iets willen drinken. Ik zeg dat ik wijn bij me heb maar geen kurkentrekker. Daan zegt niets, buigt zich naar zijn rugzak en haalt er een Zwitsers zakmes uit. Hij legt het op het tafeltje tussen ons in alsof hij een troefkaart uitspeelt.

'Je bent voorbereid,' zeg ik.

'Ik ben alleen voorbereid op dingen die er niet toe doen,' zegt hij. 'Vraag me niet naar de rest.'

Ik vraag niet naar de rest. Hij opent de fles, we drinken uit de plastic bekertjes van het tandenborstelsetje, en de trein neemt de bocht bij Arnhem zo ruim dat we even allebei naar dezelfde kant hangen. Daarna praten we. Niet over de dingen die er niet toe doen. Over waarom iemand alleen in een nachttrein stapt, in oktober, op een dinsdag.

Hij gaat naar zijn zus, die een kind krijgt. Ik ga nergens heen. Ik ga weg. Dat zeg ik hardop, en het klinkt dramatischer dan het is, en we lachen erom, en dan is het ineens niet grappig meer en kijkt hij me aan op een manier die ik een hele tijd niet gevoeld heb. Alsof hij tijd heeft. Alsof er niets achter me staat dat hij ook nog wil.

Het is donker buiten als we Duitsland in rijden. De conducteur komt nog een keer langs, trekt het gordijn aan de gangzijde dicht en zegt welterusten. De deur schuift in het slot. Het geluid van de rails wordt een ademhaling.

'Ik ga slapen,' zeg ik, en ik meen het, en ik blijf zitten.

Daan staat op en haalt het dekentje van zijn bed, gaat weer zitten, legt het over onze knieën alsof we in een rijtuig van honderd jaar geleden zitten. Zijn knie ligt tegen de mijne. Geen van ons doet er iets aan.

Ik weet niet wie het begint. Dat is wat ik mezelf later vertel, in de badkamer van het hotel in Wenen, met het raam open en de kerkklokken van de Stephansdom. Dat ik niet weet wie het begon. Maar het is niet waar. Ik begon het. Ik legde mijn hand op zijn knie, onder het dekentje, en liet hem daar liggen, en keek naar buiten alsof mijn hand van iemand anders was.

Hij bewoog niet. Dat was het mooiste. Hij liet me. Zijn been werd warm onder mijn hand en zijn adem ging trager en hij zei: 'Mare.' Alleen mijn naam. Als een vraag.

'Ja,' zei ik.

Toen pas draaide hij zich naar me toe. Hij kuste me niet meteen. Hij keek. Legde een hand in mijn nek, zijn duim onder mijn oor, en wachtte tot ik dichterbij kwam. De trein hobbelde, ik viel bijna tegen hem aan, en toen kusten we, voorzichtig, alsof we allebei nog bij konden draaien. Daarna niet voorzichtig.

Zijn mond smaakte naar de wijn en naar iets van hemzelf. Zijn handen gingen onder mijn trui, over mijn rug, om mijn middel, en bleven daar, groot en rustig, alsof hij me vasthield op een boot. Ik trok zijn overhemd uit zijn broek. Hij lachte zacht tegen mijn mond.

'Het bed is zeventig centimeter breed,' zei hij.

'Dan passen we,' zei ik.

Hij deed het lampje boven zijn bed uit. Het enige licht kwam nu van buiten, van stations waar we niet stopten, van een stad die in de verte voorbijschoof. In dat licht zag ik hem naar me kijken, en ik dacht: dit is het, dit is wat ik een jaar niet heb gehad. Iemand die kijkt.

Het bed was inderdaad zeventig centimeter. Dat maakte alles langzaam, en langzaam was precies wat ik nodig had. Hij trok mijn trui over mijn hoofd en legde zijn mond op mijn sleutelbeen, mijn borst, de plek onder mijn ribben waar ik altijd kietelig ben en vanavond niet. Ik hoorde mezelf ademen boven het geluid van de rails uit. Zijn hand gleed over mijn buik, in mijn spijkerbroek, en bleef liggen op mijn heup, wachtend, tot ik mijn heupen ophief en hij de knoop losmaakte.

Ik wilde hem ook. Ik duwde hem op zijn rug, wat in dat bed betekende dat ik half op hem lag en half tegen de wand, en maakte zijn riem los. Hij was hard en warm en bewoog in mijn hand, en ik keek naar zijn gezicht terwijl ik hem aanraakte, hoe hij zijn ogen sloot en zijn lippen opende en mijn naam niet zei maar bijna.

'Heb je iets bij je,' vroeg ik.

'In de rugzak. Voorbereid op dingen die er niet toe doen.'

'Dit doet er wel toe.'

Hij rekte zich uit naar de rugzak, en in die seconde dat hij half het bed uit hing en ik naar zijn rug keek, naar de lijn van zijn ruggengraat in het licht van een passerend seinhuis, wist ik dat ik dit niet zou vergeten. Wat er ook verder in Wenen gebeurde. Wat er ook verder in mijn leven gebeurde.

Hij kwam terug, kuste me, en ik hielp hem met het condoom, en toen trok hij me op zich, en ik liet me zakken, langzaam, langzamer dan ik ooit iets heb gedaan, tot ik hem helemaal in me had en we allebei stil waren.

De trein niet. De trein ging gewoon door.

We bewogen zoals de trein bewoog. Dat klinkt als iets uit een slecht boek, maar het was zo: het ritme kwam van buiten, van de rails, van de wissels, en wij hoefden alleen maar mee te gaan. Zijn handen om mijn heupen. Mijn handen op zijn borst. Mijn haar in zijn gezicht als ik voorover kwam om hem te kussen. Er was geen haast. Er was een nachttrein, en veertien uur, en een deur op slot.

Op een gegeven moment draaide hij ons om, wat in zeventig centimeter een kleine krachttoer was, en lag hij op me, en keek weer. Steeds dat kijken. Hij ging langzaam en diep en bleef met zijn hand tussen ons in, en ik hield op met denken. Ik hoorde iemand kreunen en wist dat ik het was en vond het niet erg, want de coupé naast ons was leeg en de rest van de wereld lag te slapen. Hij kwam vlak na mij, met zijn gezicht in mijn hals, en we bleven zo liggen, zwaar en warm, tot de trein ergens remde en we allebei in de lach schoten.

'Waar zijn we?' fluisterde hij.

Ik keek over zijn schouder naar buiten. Een leeg perron, een bord. 'Würzburg.'

'Mooi,' zei hij. 'Ik ben in Würzburg geweest.'

We sliepen uiteindelijk toch, in dat ene bed, hij op zijn zij met zijn arm over mij heen, ik met mijn rug tegen zijn borst en mijn gezicht naar het raam. Ik werd wakker van het licht. Oostenrijk, bergen, een rivier die een tijd met ons meeliep. Hij sliep nog. Ik keek naar zijn hand op mijn buik en bedacht dat ik niet wist wat zijn achternaam was, en dat het me niets uitmaakte, en dat dat op zichzelf iets was om blij mee te zijn.

Bij Linz klopte de conducteur en zette twee koffie en twee broodjes op het tafeltje zonder een woord te zeggen, al zag hij natuurlijk alles. We ontbeten in het dekentje, met de bekertjes van gisteravond.

'Hoe lang blijf je in Wenen?' vroeg Daan.

'Een week. Misschien langer.'

Hij knikte, en haalde zijn zakmes tevoorschijn, en schreef met de kleine schaar een telefoonnummer in de papieren hoes van mijn kussen. Dat vond ik zo onhandig en zo mooi dat ik hem nog een keer kuste, met koffie in mijn mond, terwijl de trein het station van Wenen binnenreed en de mensen op het perron ons zagen en het niet erg vonden. Of ik het niet erg vond. Dat was het.

Dit verhaal is geschreven door de redactie van De Paarse Keizerin. Meer lezen? In de winkel staan erotische boeken en verhalenbundels om zelf te lezen of samen voor te lezen.

Reactie plaatsen

Let op: opmerkingen moeten worden goedgekeurd voordat ze worden gepubliceerd.