Fanny Hill - deel 3
✓ 15 jaar ervaring
✓ 100% discreet verzonden
✓ Alles Getest door ons testpanel
Fanny Hill - deel 3
In een herberg aan de rivier geeft Fanny zich voor het eerst over aan de liefde, met alle pijn en verrukking van dien. Een jaar lang lijkt haar geluk volmaakt, tot een jaloerse vader en een koele hospita alles komen opeisen.
Hoe ik bij de koets kwam, weet ik niet meer; ik geloof dat ik vloog. In een oogwenk zat ik erin, en hij naast mij, met de armen om mij heen om mij de kus van welkom te geven. De koetsier had zijn orders en voerde ze uit. Mijn ogen stonden vol tranen, maar het waren tranen van de opperste vreugde. Zo in de armen van die heerlijke jongeman te liggen was een verrukking waarin mijn hart onderging.
Verleden en toekomst bestonden op dat ogenblik niet meer voor mij. Ook hij scheen in vervoering, en zijn tedere omhelzingen waren het onweerlegbare bewijs van zijn liefde. Een ogenblik later stopten wij voor een herberg in Chelsea, speciaal ingericht voor liefdesparen, waar een ontbijt met dampende chocolade ons wachtte.
De gezellige oude waard, voor wie het leven geen geheimen meer had, gebruikte het ontbijt met ons mee en dreef onze blijdschap nog op door te zeggen dat wij uitstekend bij elkaar pasten; zo'n mooi paar had hij nog nooit onder zijn dak gehad, en hij kon wel merken dat ik een nieuweling was, zo landelijk en onschuldig zag ik eruit. Zijn vleiende woorden waren aangenaam om te horen, maar konden de beklemming niet wegnemen die zich van mij meester maakte nu het grote ogenblik naderde waarop ik met mijn nieuwe heer en meester alleen zou worden gelaten.
Het was een schuchterheid die meer voortkwam uit mijn grote liefde dan uit maagdelijke verlegenheid. Ik wilde met hem alleen zijn, ik was bereid voor hem te sterven, en toch vreesde ik het moment waarnaar ik met zoveel begeerte had uitgezien. Dat gevecht tussen kuisheid en verlangen maakte mij zo overstuur dat ik eensklaps in tranen uitbarstte. Charles, want zo zal ik hem noemen, nam mij in de armen en deed alles om mij te troosten.
Na het ontbijt nam Charles mij bij de hand en zei glimlachend dat hij mij een kamer met een mooi uitzicht wilde tonen. Van enig uitzicht was daar niets te bespeuren, behalve dan het uitzicht op een bed, ongetwijfeld het meubelstuk dat hem het vertrek voor zijn oogmerken zo geschikt had doen vinden. Hij schoof de grendel voor de deur en kwam meteen op mij toe.
Hij tilde mij op, zijn mond vast op de mijne, en droeg mij naar het bed, terwijl ik dat alles bevend en wegkwijnend van schrik en verlangen liet gebeuren. Zo ongeduldig was hij dat hij zich niet de moeite gaf mij te ontkleden, maar volstond met het losspelden van mijn halsdoek en japon en het losrijgen van mijn korset. Mijn boezem lag nu naakt en open voor zijn blik en zijn handen.
Mijn beide stevige, volgroeide borsten, vol en fraai gevormd zoals bij een jonge vrouw van negentien pas uit een dorp, boden zijn rusteloze handen genoeg om er hun welbehagen in te vinden. Al spoedig tilde hij mijn hemd op, en toen mijn dijen zich onwillekeurig sloten, dwong de aanraking van zijn handen ertussen mij ze te openen. Roerloos en zonder weerstand lag ik voor het onderzoek van zijn ogen en handen.
Omdat hij mij uit een bordeel had ontvoerd en ik niets had gezegd om hem op mijn maagdelijkheid voor te bereiden, was hij ervan overtuigd dat ik geen oningewijde was. In zijn opwinding maakte hij zijn knopen los en haalde zijn werktuig tevoorschijn, dat hij richtte naar wat hij een reeds geslagen bres waande. Voor de eerste keer in mijn leven voelde ik dat stijve lid, hard als hoorn, tegen mijn tere orgaan slaan.
Verbeeld u zijn verbazing toen hij, na een reeks stoten die als vuur door mij heen gingen, tot de bevinding kwam dat hij niet de minste vooruitgang boekte. Zacht klaagde ik dat hij mij verschrikkelijk veel pijn deed. Hij weet het aan mijn jeugd en aan de afmeting van zijn werktuig, en probeerde het opnieuw, tevergeefs. Eindelijk lag hij hijgend naast mij, kuste mijn tranen weg en vroeg mij teder wat de oorzaak van mijn klachten was.
Pas toen vertelde ik hem, op eenvoudige maar juist daardoor overtuigende toon, dat er nooit anderen waren geweest en dat hij de eerste man was die mij ooit zo te zien kreeg. Door wat hij zelf had gevoeld al half overtuigd, geloofde hij mij nu, en begon mij kalmerend te kussen. In naam van de liefde smeekte hij mij geduld te hebben, en beloofde mij zo voorzichtig mogelijk te behandelen, alsof hij de pijn zelf voelde.
Maar ik was bereid. Ik lag klaar om hem te schenken wat hij verlangde, hoe hevig de pijn ook zou zijn. Nu zette hij de aanval beredeneerder in. Hij schoof een kussen onder mij om het doel wat hoger te brengen, en een tweede onder mijn hoofd. Toen spreidde hij mijn dijen, ging ertussen staan, liet mijn benen op zijn heupen rusten en richtte de punt van zijn wapen zoekend naar de ingang.
Die was zo klein dat hij nauwelijks zeker was van de juiste richting. Hij keek, voelde, overtuigde zich, en stak toe. De felle stoot, de harde stijfheid als van een kei, wist de eikel in te voeren tot tussen de lippen van mijn schaamdeel. Zodra hij voelde dat hij op de goede weg was, zette hij in rechte lijn door en won gewelddadig meer toegang.
De pijn die mij doorschoot toen dat harde, dikke voorwerp de weke wanden scheidde, was zo hevig dat ik het bijna uitschreeuwde. Maar ik wilde het huis niet in opschudding brengen, dus hield ik de adem in en beet krampachtig op een stuk van mijn rok. Eindelijk begaf het tere weefsel voor zijn dringen, en hij drong iets dieper in mij door.
En toen, wild en zichzelf niet meer meester, brak hij door, ruimde in een soort primitieve woede alle hinderpalen uit de weg, en schoot het hele wapen naar binnen, tot aan het gevest in mij verdwijnend. Zo brandend was de pijn dat ik mijn goede voornemens vergat, het luid uitschreeuwde, en onmiddellijk daarna het bewustzijn verloor.
Toen ik weer bijkwam, lag ik ontkleed in bed, in de arm van de inmiddels tot kalmte gekomen veroveraar van mijn maagdelijkheid. Teder boog hij over mij heen, met een glas opwekkende drank in zijn vrije hand, dat ik niet kon weigeren. Mijn ogen keken hem verwijtend aan, nat van tranen, alsof zij vroegen of zo'n wrede behandeling de beloning kon zijn voor zoveel liefde.
Maar Charles, die na deze triomf nog veel meer van mij was gaan houden, behandelde mij zo liefdevol met strelingen, kussen en zoete woordjes dat ik de pijn al spoedig vergat in de vreugde hem naast mij te zien, en in de heerlijke gedachte dat ik hem nu geheel en al toebehoorde. Omdat ik nog niet kon opstaan, liet hij onze lunch op bed brengen en dwong mij wat kip te eten en enkele glazen wijn te drinken.
Na de lunch vroeg hij, heel vrijpostig, of hij naast mij mocht komen liggen, en toen hij de toestemming in mijn ogen las, kleedde hij zich uit. Voor de eerste keer lagen wij nu samen in bed, op klaarlichte dag, en toen hij zijn naakte, warme lichaam tegen het mijne drukte, hoe overrompelend was toen mijn verrukking! Alle pijnen ter wereld konden niet opwegen tegen zo'n grenzeloos geluk.
Als een levende wijngaardrank slingerde ik mij om hem heen, alsof ik vreesde dat een deel van hem onaangeraakt zou blijven, en beantwoordde zijn omhelzingen met een vurigheid die alleen echte liefde kan schenken. Niet langer opgewassen tegen zijn ontwakende begeerte, waagde hij een nieuwe inval, zich opnieuw een weg banend langs de gescheurde en tere plooien, in een pijn die nauwelijks minder was dan de eerste keer.
Maar ik slaakte geen kreet meer en verdroeg alles met de wilskracht van een heldin. Eerst toen na verscheidene hernemingen mijn pijngevoel was afgestompt, begon ik de tintelende zoetigheid te voelen en iets van zijn vreugde te beantwoorden. En nog later, toen mijn lichaam geheel was gebroken en aangepast, ging ik onder in de heerlijkste storm, de niet te beschrijven vervoering waarin de warme stroom wordt uitgestort en men smachtend het gevoel heeft te sterven.
Zo brachten wij de hele middag door in een onophoudelijke kringloop van liefdesverrukkingen, kussen en strelingen. Toen het avondmaal werd binnengebracht, maakte Charles van het bed een tafel en van het laken een tafelkleed, zodat ik niet hoefde op te staan, en liet niemand toe, want hij wilde mij persoonlijk van alles voorzien. Die hele nacht lagen wij naast elkaar en vielen ten slotte uitgeput en bevredigd in slaap, zijn armen om mij heen.
Tien dagen bleven wij in die herberg in Chelsea, tot Charles mij overbracht naar een gemeubileerd appartement in D...street, bij St. James. In die dagen vertelde hij mij over zichzelf. Hij was de enige zoon van een vader met een ondergeschikte functie bij de fiscus, die hem nooit een beroep had laten leren en hem zijn jonge jaren in ledigheid had laten doorbrengen, met niet meer dan een vaag vooruitzicht op een officiersplaats.
Aan geld kwam hij gemakkelijk, want zijn grootmoeder, die haar overleden dochter betreurde, had al haar liefde op haar kleinzoon overgedragen en verwende hem, tot ongenoegen van zijn baatzuchtige vader. Dankzij haar vrijgevigheid kon Charles zich de weelde van een minnares veroorloven, vooral een als ik, die door de liefde zo gelukkig werd gemaakt dat zij voor de rest weinig verlangde.
Onze hospita, Mrs. Jones, was een magere, roodharige vrouw van zesenveertig die geen andere passie kende dan die voor de zilverlingen. Zij hield een pandjeshuis en dreef daarnaast een handeltje als koppelaarster, waarvoor haar kuise voorkomen haar goed van pas kwam. Zodra zij een zo jong paar onder haar dak kreeg, begon zij zich af te vragen hoe zij het best munt uit ons kon slaan. Maar dat merkte ik toen nog niet.
Want juist in dit huis, geborgen onder de vleugels van mijn geliefde, beleefde ik de heerlijkste uren van mijn leven. Charles nam mij mee naar schouwburgen, opera's en maskerades, en genoot van mijn kreetjes van verbazing. In onze rustiger ogenblikken onderrichtte hij mij in allerlei dingen des levens, en ik hing aan zijn lippen, dronk ieder woord in, en schaafde geleidelijk mijn plattelandse boersheid bij.
Al het geld waar hij de hand op kon leggen bracht hij naar mij, al weigerde ik het telkens als het mijne te beschouwen, en graag zou ik mij het bloed onder de nagels vandaan hebben gewerkt om hem te onderhouden. Zo verstreek een heel jaar in een stroom van genoegens, razendsnel. Ik was in de derde maand zwanger van hem, een omstandigheid die zijn tederheid nog verhoogde. Maar het moet in de sterren geschreven hebben gestaan dat zo'n weergaloos geluk niet mocht blijven duren. Eensklaps sloeg de harde, onverwachte slag van de scheiding over ons neer.
Twee eindeloze dagen bracht ik door zonder iets van hem te horen, ik die alleen voor hem leefde en die nooit langer dan een etmaal van hem gescheiden was geweest. De derde dag werd mijn angst zo nijpend dat ik er ziek van werd. In wanhoop belde ik om Mrs. Jones en smeekte haar uit te zoeken wat er van hem was geworden. Zij beloofde meteen op weg te gaan.
Ver hoefde zij niet te lopen, want Charles' vader woonde vlakbij, in een straat die uitkwam op Covent Garden. Van een meid uit dat huis vernam zij de waarheid. De vader had zijn zoon naar het buitenland laten overbrengen, en dat op een allesbehalve elegante manier: hij had de jongeman willen straffen omdat die op betere voet met zijn schoonmoeder stond dan hijzelf.
Onder het voorwendsel van een aanzienlijke erfenis, gevallen door de dood van een rijke oom in de Zuidzee, had de vader alles in het geheim geregeld en een scheepskapitein omgekocht. Charles was aan boord gegaan in de mening een paar uurtjes op de stroom door te brengen, waarna men hem gevangenhield en over zee meevoerde, bewaakt als een staatsmisdadiger, zonder dat hij zelfs mocht schrijven of afscheid nemen.
Zo werd mijn ziel uit mijn lichaam gerukt. De schok was zo hevig dat er na een reeks zenuwtoevallen een miskraam op volgde, waarbij ik de vrucht van Charles' liefde dood ter wereld bracht. Zelf stierf ik niet, hoezeer ik de dood ook als een verlossing verbeidde. Zes weken lang vocht mijn jonge, sterke lichaam tegen een dood die zich niet over mij wilde ontfermen.
Ook Charles' grootmoeder bezweek, nog geen maand na het bericht van zijn verbanning, en liet, tot ieders verbazing, niets na dan de lijfrente waarvan zij geleefd had. Mrs. Jones omringde mij intussen met zorgen, maar geen ogenblik uit menslievendheid. Zij wachtte alleen tot ik gezond genoeg zou zijn om haar plannen te dienen. En zodra dat zover was, sloeg zij toe.
Op een middag, na de lunch, sprak zij mij aan, zogenaamd om mij met mijn genezing geluk te wensen, maar in werkelijkheid om er een gruwelijke mededeling op te laten volgen. Zij hield mij een rekening voor: achterstallige huur, maaltijden, medicijnen, de verpleegster, alles bij elkaar drieentwintig pond, terwijl zij heel goed wist dat ik niet meer bezat dan negen guinea's, het laatste wat Charles mij had nagelaten.
IJskoud vroeg zij hoe en wanneer ik dacht te betalen. Ik brak in tranen uit en beloofde mijn kleren te verkopen en de rest te bezorgen zodra ik kon. Maar mijn wanhoop paste precies in haar plan. Op koele toon merkte zij op dat zij het zich niet kon veroorloven haar rechten niet te doen gelden, hoe onaangenaam zij het ook vond een zo tenger schepsel naar de gevangenis te moeten sturen.
Bij het woord 'gevangenis' bleef het bloed in mijn aderen stilstaan, en mijn wangen werden krijtwit. Maar Mrs. Jones had mij slechts tot op zekere hoogte schrik willen aanjagen. Fluisterend onthulde zij dat zij mij misschien wel een vriend kon bezorgen die de zaak tot beider genoegdoening zou oplossen, en dat zij deze reeds had uitgenodigd om nog diezelfde middag thee te komen drinken.
Met stomheid geslagen liet zij mij een halfuur alleen met mijn angst, wel wetend dat de gedachte aan de gevangenis in mijn verbeelding een storm zou ontketenen. Toen zij terugkeerde en zag dat mijn houding niet veranderd was, sprak zij mij vriendelijker toe, overstromend van gehuicheld medelijden, en drong erop aan dat ik toch vooral mijn eigen welzijn voor ogen zou houden en met de eerzame gentleman kennis zou maken.
Zonder op antwoord te wachten verliet zij de kamer, om enkele minuten later terug te komen, ditmaal met haar eerzame gentleman, voor wie zij de rol van even eerzame koppelaarster speelde. Bij het betreden van de kamer maakte hij een uiterst beleefde buiging, die ik met moeite met een mislukte revérence beantwoordde, nog verdoofd door de slag die mij getroffen had.
Ik durfde amper mijn ogen op te slaan. Wie was deze vreemde man van rond de veertig, met zijn smaakvolle pak en de grote diamant aan zijn vinger, die mijn schulden kwam betalen alsof het niets was? Wat verwachtte hij daarvoor terug? En hoe diep was ik gezonken, dat ik, nauwelijks een jaar na mijn vlucht in de armen van de liefde, weerloos werd overgeleverd aan de plannen van een harpij en een vreemde? Wat er die avond gebeurde, en hoe mijn ware inwijding in het leven van een vrouw van plezier daarmee pas begon, moet ik voor een volgende brief bewaren.
Over dit verhaal: dit is een moderne, auteursrechtvrije bewerking van 'Memoirs of a Woman of Pleasure' (Fanny Hill) van John Cleland, voor het eerst uitgegeven in Londen in 1748. Publiek domein; opnieuw vertaald, ingekort en bewerkt voor De Paarse Keizerin.
Gerelateerde berichten