Fanny Hill - deel 1

Wanneer de jonge Frances Hill na de dood van haar ouders naar Londen trekt om haar geluk te zoeken, belandt zij door haar argeloosheid in het weelderige huis van de vriendelijke Mrs. Brown. Achter al dat verguldsel schuilt echter een wereld die zij nog niet kent, en in haar eerste nachten onder vreemden ontwaakt er iets in haar dat zij nooit eerder voelde.

De onverbloemde, naakte waarheid wil ik u geven, mevrouw, zonder er een verdoezelende sluier over te werpen. Mijn meisjesnaam was Frances Hill. Ik werd geboren in een klein dorp bij Liverpool, in Lancashire, uit zeer arme en, naar ik vroom geloof, zeer eerbare ouders.

Ik stond op de drempel van mijn negentiende jaar toen ik werd getroffen door de zwaarste slag die mij treffen kon: het overlijden van mijn beide ouders, die mij binnen enkele dagen door de pokken werden ontrukt. Zo bleef ik achter als een eenzame wees. Toch rijpte al spoedig een plan in mij om naar Londen te gaan, gesterkt door Esther Davis, een jonge vrouw uit ons dorp die in de hoofdstad werkte en beloofde onderweg voor mij te zorgen.

Het was al laat op een zomeravond toen wij in Londen aankwamen. Terwijl wij door de hoofdstraten reden, keek ik mijn ogen uit, verrukt door de massa mensen en het felle geratel der rijtuigen, dat mij als muziek in de oren klonk.

Maar nauwelijks waren wij in de herberg of mijn beschermster veranderde. Esther, die mij onderweg zoveel tederheid had betoond, werd opeens koel en gereserveerd. In plaats van de beloofde hulp gaf zij mij nog wat haastige raad, omhelsde mij ten afscheid en liet mij alleen. Alleen achtergebleven in een voor mij totaal vreemde plaats barstte ik in tranen uit.

De volgende morgen vond ik het bureau voor werkverschaffing. Terwijl ik terneergeslagen wachtte, kruiste mijn blik die van een dame, gehuld in een fluwelen mantel, midden in de zomer, met een dik en rood gelaat dat wel vijftig levensjaren verried. Zij keek mij aan alsof zij mij met de ogen wilde verslinden.

Zij nam mij terstond in dienst, niet als gewoon dienstmeisje maar als een soort gezelschapsdame. Ik zag in mijn toekomstige meesteres niets dan een beschaafde lady. Pas veel later kwam ik erachter dat mijn meesteres, Mrs. Brown, mij angstvallig verborgen wilde houden tot zij een goede koper voor mijn maagdelijkheid zou hebben gevonden. Ik werd voorgesteld aan Phoebe Ayres, een van haar lievelingsmeisjes.

Op het passende uur trokken wij ons in onze kamer terug. Phoebe speldde mijn halsdoek en japon los, en lang duurde het niet of zij lag aan mijn zijde. Zij was, zo zei ze zelf, vijfentwintig, ofschoon het er de schijn van had dat zij zich daarbij met wel tien jaar misrekende.

Zij keerde zich naar mij toe, omhelsde en kuste mij met grote vurigheid. Haar handen werden buitengewoon vrijpostig en begonnen over mijn lichaam te dwalen, alles aanrakend, knedend en drukkend in een reeks bewegingen die mij door hun nieuwheid meer verwarmden dan ze mij bang maakten. Mijn borsten, twee ronde, stevige en volgroeide welvingen, hielden haar handen een tijdje bezig, tot ze lager zonken naar het zachte, zijden dons dat er in weelderige volheid groeide.

Niet tevreden met deze uitwendige dingen zette zij de aanval verder, tot zij eindelijk een vinger wist binnen te wringen in het vlees zelf, zo behendig dat zij mijn schaamtegevoel om de tuin leidde. In plaats van mij in paniek te brengen deed zij een nieuw vuur in mij oplaaien, tot een 'O!' haar te kennen gaf dat zij mij pijn deed op de plaats waar de nog niet doorgebroken doorgang haar dieper doordringen onmogelijk maakte.

Zij kruidde haar bezigheden met kussen en uitroepjes: 'O, wat een bevallig schepseltje ben je! Hoe gelukkig de man die je tot vrouw mag maken! O, mocht ik toch die man voor je zijn!' Ik was in vervoering gebracht, buiten mezelf; tranen van genot stroomden mij uit de ogen. Phoebe duwde de dekens omlaag en wierp het volle kaarslicht over mijn naakte lichaam.

'Laat mij die volle boezem kussen,' fluisterde zij, 'hoe stevig, wit en zacht is dat vlees.' Zij greep mijn hand en leidde die naar een dichte bos ruige krullen, het kenmerk van de volgroeide, gerijpte vrouw, en begon in zo snelle wrijving te bewegen dat ik mijn hand warm en vochtig terugtrok. Na twee of drie zuchten schonk Phoebe mij nogmaals een kus en trok de dekens weer over ons heen. Zo leerde ik die avond de eerste vonken van een ontvlammende natuur kennen.

Toen zij haar kalmte had teruggevonden, veel sneller dan ik, begon Phoebe mij op sluwe wijze uit te vragen over alles wat zij weten moest. Uit de antwoorden bleek maar al te goed dat ik door mijn onwetendheid en mijn warme natuur een zeer gemakkelijk instrument beloofde te worden. Vermoeid door de felle emoties viel ik vrijwel meteen in slaap.

De volgende morgen bracht mijn meesteres twee bundels linnen, met alles wat nodig was om mij volwaardig uit te dossen: een witte lustrine met zilver versierd, een mutsje van Brusselse kant, gegarneerde schoenen en meer. Phoebe kleedde mij aan en liet niets aan het toeval over. In de spiegel zag ik een figuurtje dat het bekijken waard was: slank in de taille, met glanzend kastanjebruin haar en een boezem die zich vol en fraai welfde met ronde, stevige borsten.

In het salonnetje stelde Mrs. Brown mij voor aan nog een familielid: een neef. Deze man was weerzinwekkend en lelijk: in de zestig, kort en slecht gebouwd, met een geelachtige lijkkleur, grote uitpuilende ogen en een kwalijk riekende adem. Het ergste was dat hij volkomen blind was voor zijn eigen tekortkomingen en meende een echte adonis te zijn.

Dit was het monster aan wie mijn meesteres mij wilde offeren. Zij liet mij voor hem rechtop staan en maakte mijn halsdoek los om zijn aandacht te vestigen op de welving van mijn opbloeiende boezem. De koop werd besloten: vijftig guineas als voorschot, en nog eens honderd bij de triomf van zijn begeerte over mijn maagdelijkheid. In zijn ongeduld drong hij erop aan nog diezelfde namiddag te komen; van uitstel wilde hij niet weten.

Tegen zes uur mocht ik naar mijn kamer. Nauwelijks was ik er of de sater trad binnen met zijn eigenaardige grijns. Toen wij thee hadden gedronken herinnerde mevrouw zich opeens een belangrijke zaak, verzocht mij haar neef gezelschap te houden en waggelde de kamer uit: 'Alstublieft, sir, wees goed en zacht voor dat lieve meisje.'

Zo bleven wij alleen, en die wetenschap deed mij sidderen. Het monster kwam naast mij zitten en sloeg zonder plichtpleging zijn armen om mijn nek, trok mij tegen zich aan en dwong mij zijn stinkende kussen te aanvaarden. Aangemoedigd door het uitblijven van weerstand rukte hij mijn halsdoek weg.

Nog onderging ik dit zonder protest, tot hij mij op mijn rug probeerde te leggen en ik zijn hand op mijn naakte dijen voelde. Precies toen ontwaakte ik uit mijn verdraagzaamheid, sprong op en wierp mij aan zijn voeten, hem smekend mij geen pijn te doen. 'Ik kan u niet liefhebben, sir. Laat mij alstublieft alleen.' Maar ik sprak tot dovemansoren. Hij hernieuwde zijn aanval, maar hoe hij ook met zijn knie mijn dijen probeerde te scheiden, hij slaagde er niet in.

Plotseling liet hij af en stond op, hijgend en vloekend, de woorden 'oud en lelijk' herhalend die ik hem zonder nadenken in het gelaat had geslingerd. Ik hoorde zijn scheldwoorden met genoegen aan, want ik aanvaardde ze als beloften dat hij zijn aanval niet zou herhalen. Maar terwijl ik dromerig bij het vuur zat, mijn nek nog ontbloot, begon de drift in de schurk opnieuw wakker te worden bij het zien van de jeugdige, nog niet geplukte bloem. (Wordt vervolgd in deel 2.)

Over dit verhaal: dit is een moderne, auteursrechtvrije bewerking van 'Memoirs of a Woman of Pleasure', beter bekend als 'Fanny Hill', geschreven door John Cleland en voor het eerst uitgegeven in Londen in 1748. Het werk geldt als een klassieker van de erotische wereldliteratuur en is publiek domein. Voor De Paarse Keizerin is het opnieuw vertaald, ingekort en bewerkt tot een vlot leesbare versie.

Reactie plaatsen

Let op: opmerkingen moeten worden goedgekeurd voordat ze worden gepubliceerd.